Neurofeedback versus medicatie

ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) is een ziektebeeld dat gekenmerkt wordt door aandachtsproblemen met of zonder hyperactiviteit. ADHD gaat vaak gepaard met afwijkende activiteit van de hersenen. Bij de meeste ADHD-kinderen is de activiteit van de hersenen verminderd in de centrale en frontale gebieden van het hoofd. Dit lijkt raar gezien het feit dat de meeste ADHD-kinderen hyperactief zijn. Het blijkt echter dat de gebieden die minder actief zijn normaal gesproken zorgen voor de remming van gedrag en motoriek. Als die gebieden minder actief zijn, is de remming ook minder en kan zowel het gedrag als de motoriek hyperactief overkomen.

Twee groepen ADHD

Uit hersenmetingen blijkt deze onderactiviteit uit een teveel aan langzame golven (veel thetagolven) ten opzichte van snelle golven (bèta1-golven). In rust is deze verlaagde activiteit zichtbaar en tijdens taken verbetert dit meestal niet. Een kleine groep ADHD-ers laat echter een ander QEEG-profiel zien. Bij deze groep blijkt de activiteit toegenomen te zijn, wat betekent dat de hyperactiviteit in het gedrag en de motoriek samengaat met echte hyperactiviteit in de hersenen. In het QEEG-profiel laten deze kinderen vooral een hoog aandeel van snelle golven zien (bèta 1 en bèta 2).

Aan de buitenkant zijn deze twee groepen kinderen met ADHD moeilijk of niet te onderscheiden, maar binnen in de hersenen blijken deze groepen echt verschillend. Zowel voor neurofeedback als voor medicamenteuze behandeling is dit onderscheid heel belangrijk. Als de hersenen onderactief zijn, is de behandeling gericht op het verhogen van de activiteit. Veel medicijnen voor ADHD zijn dan ook hierop gericht en zorgen dat de gebieden meer actief worden, waardoor de functie van de gebieden beter wordt uitgevoerd. Aangezien een belangrijke functie de remming is, leidt een verbeterde functie door toename van de remming tot een afname van hyperactief en druk gedrag. Ook neurofeedback heeft als doel de activiteit van de hersengebieden te verbeteren door theta- en bèta1-golven te trainen. Ieder moment dat thetagolven afnemen en/of bètagolven toenemen, wordt er positieve feedback gegeven. Indien er echter sprake is van overactiviteit van de hersenen zal de behandeling er geheel anders uitzien.

Bijwerkingen van medicatie

Een kind waarvan de hersenen al overactief zijn zal niet of zelfs averechts reageren op therapieën die de activiteit van de hersenen nog meer verhogen. Stimulerende medicatie zal daarom voor bijwerkingen zorgen die niet gewenst zijn. Neurofeedback waarbij thetagolven worden verminderd en bèta1-golven worden verhoogd zal eveneens zorgen voor meer verhoging van de toch al hoge activiteit van de hersenen wat niet gewenst is. De neurofeedbackbehandeling zal bij deze groep dan ook meestal bestaan uit het onderdrukken van snelle golven (bèta 1 en bèta 2). Er wordt dan positieve feedback gegeven op het moment dat de hersenen wat minder actief zijn.

Meer info

Neem voor meer informatie contact op of kijk of we uw vraag kunnen beantwoorden bij de veelgestelde vragen.

Reacties zijn gesloten.